Pleitnota en Mr Meindert Stelling


Hieronder de pleitnota (inclusief enkele tikfoutjes ;-)) van advocaat Mr Meindert Stelling mbt de rechtszaak Gemeente Den Haag vs Occupy Den Haag, Recht Op Bestaan, Wij Blijven Hier en De Buitenkerk

================================================================

Stelling Advocatuur
Stationsstraat 21-C
2405 BL  Alphen aan den Rijn

Rechtbank Den Haag, Afdeling Bestuursrecht
vrijdag 15 november 2013

inzake

Kwinten (eiser) vs burgemeester Den Haag (verweerder)

betreffende de:
1. doorlopende betoging “Wij blijven hier! Den Haag” procedure SGR 13/6898
2. doorlopende betoging “Recht op bestaan”, procedure SGR 13/6897
3. betoging op 12-13 maart 2013 van “Recht op bestaan” procedure SGR 13/7243

en

Edgar en Bart (eisers) vs burgemeester Den Haag (verweerder)
betreffende de doorlopende betoging “De Buitenkerk” procedure SGR 13/6900

Pleitnota
mr. M.J.F. Stelling

1. Inleiding

1.1. In mijn betoog met betrekking tot de voorliggende vier zaken zal ik, vanwege de reeds aangegeven samenhang daartussen, eerst de aspecten bespreken die zij gemeenschappelijk hebben. In dat kader wordt in de eerste plaats nader ingegaan op de betekenis van de fundamentele mensenrechten, van de fundamentele vrijheden zoals deze in de Grondwet en de mensenrechtenverdragen worden beschermd. Vervolgens zal ik de reikwijdte bespreken van de beperkingsgronden voor de vrijheid van betoging die in de voorliggende zaken aan de orde zijn. Het gaat dan om de “bescherming van de gezondheid” en de “voorkoming van wanordelijkheden”.

1.2. Vervolgens zal ik, voorzover nodig, ingaan op de onderscheiden zaken. Eerst op de doorlopende betoging “Wij blijven hier! Den Haag” (hierna: “Wij blijven”). Vervolgens op de doorlopende betoging van “De Buitenkerk”, en tenslotte op de betogingen van “Recht op bestaan”.

1.3. Voordat ik daartoe overga, wil ik evenwel beginnen met enkele opmerkingen met betrekking tot de stellingname van verweerder in diens verweerschriften. In de eerste plaats is het opvallend dat daarin op geen enkele manier wordt ingegaan op de fundamentele kwesties die in de fase van het bezwaar en het beroep aan de orde zijn gesteld. In de tweede plaats wordt door verweerder uitgegaan van een enigszins verbluffende interpretatie van de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM). Verbluffend, omdat die interpretatie volledig ingaat tegen de gebruikelijke werkwijze van het hof. Verweerder stelt in het verweerschrift inzake de doorlopende betogingen “Wij blijven” (punt 5.2) en “Recht op bestaan” (punt 5.1) dat de limitatief opgesomde beperkingsgronden in de Wet openbare manifestaties (hierna: Wom), de vertaling zouden vormen van de “pressing social need” die het EHRM nodig acht voor de rechtvaardiging van een inbreuk.

1.4. De stellingname van verweerder op dit punt gaat er aan voorbij dat het EHRM bij een geconstateerde inbreuk op een mensenrecht dat in het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is beschermd, eerst nagaat of die inbreuk berust op een wettelijke grondslag. Indien die wettelijke grondslag aanwezig is, komt vervolgens de vraag aan bod of één van de doelen van art. 10 EVRM wordt gediend. En indien ook deze vraag bevestigend wordt beantwoord, is tenslotte als zelfstandige toetsingsgrond de “pressing social need” aan de orde. In dat kader is met name de proportionaliteit van de inbreuk van belang. Er wordt in dat kader bezien of de inbreuk gerechtvaardigd is, gelet op de feiten en omstandigheden van het concrete geval. Ik verwijs hierbij, bij wijze van voorbeeld, naar de punt 9 van de conclusie van advocaat-generaal Silvis in de strafzaak tegen Maurice de Hond (ECLI:NL:PHR:2011:BP0287), die wat betreft de weergave van het toetsingsmodel van het EHRM werd gevolgd door de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2011:BP0287).

1.5. Ik benadruk overigens het belang van de concrete toetsing van de dringende maatschappelijke noodzaak, de “pressing social need”. De feiten en omstandigheden moeten de inbreuk op de vrijheid van meningsuiting kunnen rechtvaardigen. En in dit verband moet het mij van het hart dat ik de overweging in de uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 december 2013 in de zaak van “Wij blijven” (ECLI:NL:RBSGR:2012:BY6013), dat de rechter het gebruik dat verweerder heeft gemaakt van zijn bevoegdheden ingevolge de Wom “met terughoudendheid (moet) toetsen”, een dubieuze acht. Een overeenkomstige overweging komt voor in de uitspraak van de rechtbank in de zaak betreffende “Occupy Den Haag” (hierna: Occupy) van 13 februari 2013 (ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ2608). Het wil mij voorkomen dat daarmee onvoldoende gewicht wordt gehecht aan het gegeven dat, zoals tot uitdrukking komt in de jurisprudentie van het EHRM, in het kader van het EVRM de rechter zelfstandig dient te toetsen of de feiten en omstandigheden de inbreuk op een mensenrecht rechtvaardigen. Van enige terughoudendheid kan derhalve geen enkele sprake zijn. Ter bescherming van de fundamentele vrijheden van de burger behoort de rechter volledig te toetsen of de feiten en omstandigheden van dien aard zijn, dat zij in redelijkheid de opgelegde beperking rechtvaardigen.

2. De rechtsfilosofische achtergrond

2.1. Met betrekking tot de rechtsfilosofische achtergrond van de codificatie van de fundamentele mensenrechten in de Grondwet, merk ik in de eerste plaats op dat de grondwettelijke bepalingen terzake niet op goede manier kunnen worden geïnterpreteerd, indien zij niet worden uitgelegd vanuit de achtergrond van waaruit zij tot stand zijn gebracht. Uiteraard is dit geen oorspronkelijke gedachte van mij. Ik verwoord slechts een algemeen aanvaarde benaderingswijze van de interpretatie van rechtsnormen, gezien ook de regelmaat waarin de Hoge Raad zorgvuldig in de wetshistorie nagaat wat de bedoeling van de wetgever is geweest met de totstandbrenging van een bepaalde wettelijke norm. Maar ik acht het van belang om dit toch even aan te stippen. Dit omdat de manier waarop de grondwettelijk gewaarborgde vrijheden worden benaderd, zowel door bestuursorganen als leden van de rechterlijke macht, somtijds geen blijk geven van een goed inzicht van wat het begrip “vrijheid” inhoudt.

2.2. In de aanvullende beroepschriften ben ik reeds op de rechtsfilosofische achtergrond van de fundamentele mensenrechten ingegaan, zoals deze in de Grondwet zijn neergelegd. Het gaat daarbij om de zelfverwerkelijking van de autonome mens, die zelf bepaalt op welke manier hij zijn leven wenst vorm te geven. Ik heb een en ander ook in de fase van het bezwaar naar voren gebracht. Het is dan ook opvallend dat de Adviescommissie bezwaarschriften van de gemeente Den Haag daarop niet inhoudelijk heeft gerespondeerd, en verweerder daar dus geen enkele aandacht aan heeft besteed. Dit feit alleen al geeft aan dat verweerder bij de vaststelling van zijn beschikkingen op bezwaar heeft gehandeld in strijd met art. 3:2 Algemene wet bestuursrecht.

2.3. Ik teken hierbij aan dat verweerder in zijn verweerschriften daarop evenmin is ingegaan. Dit geeft mijns inziens aan dat een fundamentele benaderingswijze kennelijk niet wenselijk wordt geacht door verweerder. Het is immers een algemeen bekend verschijnsel dat men soms niet inhoudelijk ingaat op het betoog van een ander, indien wordt onderkend dat dit tot onwenselijke conclusies zou kunnen leiden. Dit willens en wetens als bestuursorgaan niet ingaan op een fundamenteel betoog van de zijde van burgers, getuigt dan ook niet van de bereidheid om zonder vooringenomenheid te handelen. Dit hoewel verweerder als bestuursorgaan in een democratische rechtsstaat, in al zijn betrekkingen met burgers is gebonden aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Maar klaarblijkelijk gaan dergelijke noties aan verweerder volkomen voorbij.

2.4. Hoe dan ook, het begrip “vrijheid” geeft aan dat de burger zonder enige bemoeienis van de overheid, in welke vorm dan ook, zelf bepaalt wat en hoe hij wenst te doen en te laten. De jurisprudentie van het EHRM geeft aan dat ieder bemoeienis, zelfs iedere formaliteit die in acht moet worden genomen terzake van de uitoefening van fundamentele vrijheden, een inbreuk op die vrijheid vormt. Ook de wetgever is van die gedachte uitgegaan, gezien het feit dat de enkele aanmeldingsplicht met betrekking tot betogingen, uitdrukkelijk in de Wom is mogelijk gemaakt.

2.5. De vrijheden van burgers kunnen niet zomaar door de wetgever worden beperkt. De kwestie waarom die vrijheden kunnen worden beperkt, de vraag naar de rechtvaardiging daarvan, is in de memorie van toelichting wetsvoorstel 13 872 inzake de verandering in de Grondwet van bepalingen inzake de grondrechten, niet uitvoerig aan de orde gesteld. Er is meer aandacht besteed aan de methode van beperking, dan aan de rechtvaardiging daarvan. Maar op grond van een ervaring van meer dan twintig jaar als wetgevingsjurist en afdelingshoofd bij de centrale overheid kan ik verklaren dat vanzelfsprekendheden, althans aspecten van de wetgeving die ten tijde van de concipiëring van een wetsvoorstel en de behandeling daarvan door de Staten-Generaal als een vanzelfsprekendheid worden gezien, in de memorie van toelichting en andere wetgevingsdocumenten nauwelijks of geen aandacht krijgen. En zodoende kunnen naderhand vragen opkomen, waarvan de antwoorden wel zijn te geven vanuit de bredere context van het ontstaan van een wetsvoorstel, maar minder gemakkelijk vanuit de wetshistorie in de gebruikelijke, beperkte zin van dat woord.

2.6. Het voorgaande neemt niet weg dat in de memorie van toelichting van wetsvoorstel 13 872 wel degelijk duidelijke aanknopingspunten zijn te vinden voor de beantwoording van de vraag op grond waarvan de fundamentele vrijheden van burgers kunnen worden begrensd. Er wordt verwezen naar de voorlopers van onze huidige Grondwet, de Franse Declaration des droits de l’homme et du citoyen, de Bill of Rights van Virginia van 1776, en de Staatsregeling voor het Bataafse Volk van 1798. Ik ben daarop al ingegaan in de aanvullende beroepschriften. Ik voeg daaraan toe dat de Bill of Rights van Virginia zelfs helemaal niet rept over beperkingen van fundamentele rechten. Daarin wordt gesproken over de gelijkheid van mensen en inherente rechten. Dit geeft impliciet aan dat de begrenzing van de uitoefening van de inherente rechten daar ligt waar deze inbreuk maken op de overeenkomstige rechten van anderen. Hoe dan ook, de verwijzing naar die documenten in de onderhavige memorie van toelichting geeft aan dat de begrenzing van fundamentele rechten daar ligt waar inbreuk wordt gemaakt op de belangen en rechten van anderen.

2.7. Dit laatste houdt in dat, waar in de Grondwet beperkingen op de uitoefening van grondrechten mogelijk worden gemaakt in de vorm van termen die duiden op een algemeen belang, zoals in art. 9 Grondwet het “belang van het verkeer”, het gaat om de bescherming van de belangen en rechten van anderen dan de betogers. Het belang van de betogers is immers in voorkomend geval om in optocht en met zoveel mogelijk mensen over de rijweg te lopen, terwijl het belang van de niet-demonstrerende medeburgers is gelegen in het ongehinderd over de rijweg kunnen rijden. Dit laatstbedoelde belang dient te worden afgewogen tegen het belang van de betogers om hun opvattingen in collectief verband tot uitdrukking te brengen. Bij deze afweging speelt uiteraard niet mee dat ook de betogers doorgaans belang hebben bij een ongehinderd verloop van het verkeer. In het concrete geval hebben de betogers immers een duidelijke keuze gemaakt. Zij zien voor zichzelf een groter belang bij het demonstreren op de rijweg dan bij het ongestoord verloop van het verkeer op dat moment. Hen kan dan ook stellig niet worden tegengeworpen dat ook zij belang hebben bij het ongestoorde verloop van het verkeer.

3. De bescherming van de gezondheid

3.1. Op grond van het voorgaande is het ook volkomen vanzelfsprekend dat met de term “de bescherming van de gezondheid” van art. 9 Grondwet een algemeen belang is aangeduid. Het gaat hierbij niet om de bescherming van de gezondheid van de betogers, maar om de gezondheid van niet-demonstrerende burgers, dus om de gezondheid van derden. Dat verweerder kan wijzen op rechterlijke beslissingen die daar anders over oordelen, doet daaraan niet af. Die rechterlijke beslissingen miskennen het rechtsfilosofische fundament van onze grondwettelijk gewaarborgde vrijheden.

3.2. Het is de keuze van de autonome mens hoever hij wil gaan met het publiek uitdragen van zijn gedachten of gevoelens. Indien betogers ervoor kiezen om weer en wind te trotseren of om in koude omstandigheden toch te blijven demonstreren, hetgeen mogelijkerwijs gezondheidseffecten kan hebben, dan is dat hun keuze. De belangen en rechten van anderen zijn daarmee niet in het geding. Dit wordt eerst anders wanneer een betoging de verdere verspreiding van een epidemische ziekte zou bevorderen. En om een extreem voorbeeld voor het voetlicht te brengen van de belangenafweging die mensen in voorkomend geval kunnen maken, in sommige situaties achten mensen publieke aandacht voor de door hen verfoeide situatie van zo’n groot belang, dat zij door middel van zelfverbranding daar de aandacht op willen vestigen. In een enkel geval heeft een dergelijke extreme keuze overigens ook een enorm maatschappelijk gevolg, zoals de zelfverbranding van Mohamed Bouazizi in december 2010, die in Tunesië leidde tot de Jasmijnrevolutie.

3.3. Is het geredeneerd vanuit de rechtsfilosofische achtergrond reeds volkomen duidelijk dat de beperkingsgrond “bescherming van de gezondheid” betrekking heeft op de gezondheid van anderen, het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (hierna: IVBPR) maakt aan iedere twijfel hierover een einde. Ik heb er al op gewezen dat art. 19 van dat verdrag een beperking van de uitoefening van de vrijheid van meningsuiting mogelijk maakt op grond van de volksgezondheid. En gezien de directe werking die het IVBPR in ons rechtssysteem heeft, dient de interpretatie van de Nederlandse wettelijke regelingen verdragsconform te zijn. Dit houdt in dat de term “gezondheid” in art. 9 Grondwet en in art. 2 Wom dient te worden gelezen als “volksgezondheid”.

3.4. Opnieuw is het opvallend dat verweerder in zijn verweerschriften met geen woord inhoudelijk ingaat op de beroep op het IVBPR. Er wordt domweg gesteld dat, indien een besluit overeenkomstig de Wom is, zich geen strijdigheid met de Grondwet, het EVRM of het IVBPR zou voordoen. Het verschil in terminologie tussen “gezondheid” en “volksgezondheid” wordt gewoon volledig genegeerd. De geloofwaardigheid van de zienswijze van verweerder wordt mijns inziens daarmee niet groter.

3.5. Maar gezien de bepalingen van het IVBPR is het volkomen duidelijk dat de betogingsvrijheid niet kan worden beperkt omdat de gezondheid van uitsluitend de betogers in het geding zou zijn. De beperkingsgrond “bescherming van de gezondheid” kan slechts worden ingeroepen indien de volksgezondheid zou worden bedreigd ten gevolge van een betoging. En verweerder heeft in geen enkele beschikking in primo gesteld dat de volksgezondheid zou worden bedreigd.

4. De voorkoming van wanordelijkheden

4.1. Wat betreft het begrip “wanordelijkheden” heb ik er op gewezen dat de regering zich er in het kader van de behandeling van wetsvoorstel 13 872 tegen heeft verzet om de doelcriteria “verkeer” en “wanordelijkheden” te vervangen door het begrip “openbare orde”. Dit omdat dit laatste begrip een veel verdergaande beperkingsbevoegdheid met zich zou brengen. Eveneens heb ik gewezen op het gegeven dat Van Dale’s woordenboek aangeeft dat het bij wanordelijkheden gaat om ongeregeldheden, om opstootjes.

4.2. Verweerder stelt daarentegen zeer stellig:

Eiser legt het begrip “wanordelijkheden” te beperkt uit door aan te geven dat daar uitsluitend sprake van zou zijn bij “opstootjes”. Die beperking van eiser vindt geen steun in de wet of jurisprudentie.

En opnieuw heeft verweerder het zorgvuldig vermeden om inhoudelijk in te gaan op het door mij geciteerde regeringsstandpunt inzake het verschil tussen enerzijds “openbare orde” en anderzijds “wanordelijkheden”. Dit hoewel van regeringszijde uitdrukkelijk is aangegeven dat, om te kunnen spreken van “wanordelijkheden”, de lat aanmerkelijk hoger ligt dan bij verstoring van de “openbare orde”. Maar kennelijk is dit een door verweerder ongewenst gegeven, waaraan snel stilzwijgend dient te worden voorbijgegaan.

4.3. Benadrukt dient te worden dat er geen wettelijk definitie bestaat van het begrip “wanordelijkheden”. Dit zo zijnde dient voor de uitleg van dit begrip in beginsel te worden uitgegaan van het normale spraakgebruik. En wat dat betreft is het woordenboek wel degelijk een goede bron. Een bron die overigens ook aangeeft dat er een verschil in connotatie bestaat tussen het meervoud “wanordelijkheden” en het enkelvoud “wanordelijkheid”. Het lemma “wanordelijkheden” geeft aan dat het gaat om ongeregeldheden. Het lemma “wanordelijkheid” daarentegen spreekt over slordigheid en wanorde. Het is dan ook niet in overeenstemming met het algemeen geaccepteerde spraakgebruik dat verweerder die termen klaarblijkelijk uitwisselbaar acht en door elkaar gebruikt.

4.4. Voor het normale spraakgebruik kan ook een beroep worden gedaan op de opvattingen van het Genootschap Onze Taal. Het genootschap legt op zijn website het verschil uit dat bestaat tussen enerzijds het woord “onregelmatigheden” en anderzijds het woord “ongeregeldheden”. Dit naar aanleiding van de vraag of in de zin “Er hebben zich na de voetbalwedstrijd onregelmatigheden voorgedaan”, het woord “onregelmatigheden” juist is gebruikt. Het genootschap geeft dan aan dat het woord “ongeregeldheden” gebruikt had moeten worden en zegt daarover:

Het gaat om “opstootjes, rellen, wanordelijkheden”, en daarvoor is ongeregeldheden de juiste term.

4.5. Ook wanneer wordt gelet op de regelgeving van gemeentes, kan worden vastgesteld dat in de algemene plaatselijke verordening (hierna: APV), in het kader van de handhaving van de openbare orde of de voorkoming van ongeregeldheden, veelal in één adem wordt gesproken over samenscholing, onnodig opdringen, uitdagend gedrag en wanordelijkheden. Zo ook in de APV van de gemeente Den Haag. In art. 2:1, eerste lid, wordt gezegd:

Het is verboden op de weg deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot wanordelijkheden.

4.6. En wanneer we aanhakend bij de vraag die aan het Genootschap Onze Taal werd voorgelegd, bezien wat voetbalverenigingen doen om voetbalgeweld tegen te gaan, dan zien we dat veelvuldig wordt gesproken over “wanordelijkheden”. Zo wordt in het huishoudelijk reglement van het FC Twente Stadion een definitie van wanordelijkheden gegeven die luidt als volgt:

Onder wanordelijkheden wordt onder meer – maar niet uitsluitend – verstaan: gedragingen van een bezoeker of een houder/gebruiker van een seizoenkaart en/of een ander toegangsbewijs, van een wedstrijd waaraan FC Twente deelneemt, die onder meer (kunnen) leiden tot verstoring van een wedstrijd en/of het veroorzaken van gevaar en/of schade voor één of meer personen.

En in de berichtgeving over voetbalgeweld wordt de term “wanordelijkheden” gebruikt in samenhang met: uitdagend gedrag en vernielingen (FC Groningen), een massale vechtpartij (Alphense Boys), en het bekogelen van de arbitrage (FC Den Bosch). Zomaar een greep uit de berichtgeving.

4.7. Het normale spraakgebruik geeft dus op ondubbelzinnige wijze aan dat het bij “wanordelijkheden” gaat om opstootjes, rellen, gebruik van geweld, vernielingen.

4.8. Maar ook de jurisprudentie geeft op ondubbelzinnige wijze aan dat het bij “wanordelijkheden” om meer gaat dan een verstoring van de openbare orde. In een uitspraak van 21 mei 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BQ1978) wijst de Hoge Raad nadrukkelijk op de wetshistorie van de Wet op de uitgebreide identificatieplicht, waarin wordt gesproken over het voorkomen van criminaliteit, het voorkomen van wanordelijkheden op straat en het handhaven van de openbare orde, als drie te onderscheiden doelstellingen. In een uitspraak van 30 januari 2007 (ECLI:NL:HR:2007: AZ2104) overweegt de Hoge Raad:

Het begrip “verstoring van de (openbare) orde” in genoemde bepaling is niet nader omlijnd. De beantwoording van de vraag of daarvan sprake is, zal dus moeten worden beantwoord aan de hand van het normale spraakgebruik, met inachtneming van de specifieke omstandigheden van het geval. Wil van een dergelijke verstoring kunnen worden gesproken, dan zal het moeten gaan om een verstoring van enige betekenis van de normale gang van zaken in of aan de desbetreffende openbare ruimte.

En vervolgens zegt de Hoge Raad over het in dat arrest aan de orde zijnde oordeel van het Gerechtshof ‘s-Gravenhage:

Indien het heeft geoordeeld dat voor verstoring van de (openbare) orde in de zin van art. 76 APV ‘s-Gravenhage 1982 nodig is dat wanordelijkheden onder het publiek zijn teweeggebracht, dan heeft het (…..) aan die term een te beperkte uitleg gegeven.

Met deze overweging onderschrijft de Hoge Raad derhalve de zienswijze van de regering die in het kader van de behandeling van wetsvoorstel 13 872 tot uitdrukking werd gebracht. Om te kunnen spreken van wanordelijkheden, dient er meer aan de hand te zijn dan een verstoring van de openbare orde.

4.9. Ook in de uitspraken van rechtbanken en gerechthoven wordt de term “wanordelijkheden” gebruikt in samenhang met gebruik van geweld of met de dreiging daarvan. Ik wijs onder meer op de een uitspraak van de Rechtbank Rotterdam van 7 april 2011 (ECLI:NL:RBROT:2011:BQ0411) waarin het gaat om het gegeven dat “draagstokken” van een 1-mei-demonstratie werden aangemerkt als slagwapen. Deze laatste term verwijst naar het gebruik van geweld, naar opstootjes of rellen. Verder vermeld ik het arrest van het Gerechtshof Arnhem van 9 december 2009 (ECLI:NL:GHARN:2009:BK5935) waarin over “wanordelijkheden” wordt gesproken in verband met de mogelijke gewelddadige verstoring door antifascisten van een manifestatie van de Nederlandse Volksunie.

4.10. Het standpunt van verweerder dat de jurisprudentie mijn, op het normale spraakgebruik gebaseerde zienswijze, dat het bij “wanordelijkheden” moet gaan om opstootjes of rellen, niet zou steunen, is derhalve onjuist. De conclusie dient dan ook te zijn dat het bij de beperkingsgrond voor de betogingsvrijheid inzake de “voorkoming van wanordelijkheden” moet gaan om het voorkomen van opstootjes of rellen. En gelet op de vaste jurisprudentie van zowel het EHRM als de Nederlandse rechtscolleges moeten er dan duidelijke feiten en omstandigheden zijn aan te wijzen die er op duiden dat opstootjes of rellen zullen worden veroorzaakt door de demonstranten. Rellen of opstootjes die dreigen tengevolge van de reactie van derden, vormen in beginsel geen reden voor het opleggen van beperkingen aan een demonstratie. Daartegen dienen de demonstranten te worden beschermd. Dit wordt eerst dan anders, indien er een situatie van overmacht dreigt te ontstaan doordat de overheid onvoldoende bescherming zou kunnen bieden.

5. “Wij blijven”

5.1. Op basis van het voorgaande kan ten aanzien van de doorlopende demonstratie “Wij blijven” worden geconstateerd dat verweerder die demonstratie in strijd met het recht zodanige beperkingen heeft opgelegd, dat het demonstratieve kamp op de Koekamp diende te worden afgebroken. Verweerder baseerde zich immers op de bedreiging van de gezondheid van de betogers en niet op een bedreiging voor de volksgezondheid. Verder baseerde verweerder zich op de voorkoming van wanordelijkheden, terwijl er geen enkele aanduiding was om te denken dat de volkomen vreedzame betogers ertoe zouden overgaan om opstootjes of rellen te veroorzaken. De feiten spreken dit laatste immers op onmiskenbare wijze tegen.

5.2. Volledigheidshalve wijs ik nog op een merkwaardige innerlijke tegenspraak in het vonnis van de voorzieningenrechter van 12 december 2012. De voorzieningenrechter heeft, daarbij overigens ingaand tegen de opvattingen van de grondwetgever dat geen onderscheid kan worden gemaakt tussen “kernrecht” en “connexe rechten”, daarin aansluiting gezocht bij een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling bestuursrechtspraak) van 5 januari 1996. Die uitspraak had betrekking op de vrijheid van geloofsovertuiging, waarbij die geloofsovertuiging op zeer luidruchtige wijze met behulp van geluidsversterkers werd beleden. De uitspraak strekte ertoe dat het geluidsniveau diende te worden beperkt, teneinde geluidsoverlast te voorkomen. Als kernrecht werd door de Afdeling bestuursrechtspraak het belijden van het geloof gezien, als connex recht het recht op de uiting daarvan met behulp van geluidsversterkende apparatuur. De beperking van dat connexe recht kon niet zover gaan dat het gebruik van geluidsversterking praktisch geheel zou zijn uitgesloten.

5.3. In de gedachtegang van de voorzieningenrechter was het tot uitdrukking brengen van de gemeenschappelijke zienswijze van “Wij blijven” door middel van een tentenkamp, een connex recht. Bij een beperking van het connexe recht zou er, althans indien wordt aangesloten bij de opvattingen van de Afdeling bestuursrechtspraak, nog enig gebruik van betekenis van het middel tentenkamp moeten zijn overgebleven. De voorzieningenrechter stemde er evenwel mee in dat het tentenkamp volledig moest worden afgebroken.

6. “De Buitenkerk”

6.1. Hetgeen ten aanzien van “Wij blijven” is geconcludeerd, geldt mutatis mutandis voor de aangemelde doorlopende betoging van “De Buitenkerk”. Verweerder heeft zich ten onrechte beroepen op de gezondheid van de deelnemers aan de manifestatie van “De Buitenkerk”, terwijl hij geen enkele concrete aanwijzing had dat die deelnemers erop uit zouden zijn om opstootjes of rellen te veroorzaken. De deelnemers aan de doorlopende betoging van “Wij blijven” hadden immers geen wanordelijkheden veroorzaakt, terwijl datzelfde evenzeer geldt voor de initiatiefnemers van Occupy.

6.2. Met betrekking tot het beroep dat verweerder heeft gedaan op de gang van zaken bij Occupy wordt in dit verband nog het volgende opgemerkt. Vastgesteld moet worden dat bij de beoordeling van het conflict dat zich binnen het kampement van Occupy heeft voorgedaan, geen enkel onderzoek is verricht naar de desbetreffende feiten. Hoewel de initiatiefnemers van Occupy bij de Politie Haaglanden hadden gemeld dat één van de nieuwkomers zich, volkomen in strijd met de doelstellingen van Occupy, agressief tegenover andere deelnemers gedroeg, heeft de politie geweigerd om ordehandhavend op te treden in de openbare ruimte van het Occupy-kampement. Zodoende kon er een escalatie van dat conflict plaatsvinden, waarbij de agressieve nieuwkomer zelfs zijn hond inzette tegen de initiatiefnemers. Deze escalatie valt de initiatiefnemers van Occupy derhalve geenszins aan te rekenen, maar was het gevolg van ernstige nalatigheid van de politie. Met een verwijzing naar dat conflict kan dus stellig niet worden betoogd dat de deelnemers aan Occupy uit zouden zijn geweest op het veroorzaken van opstootjes of rellen. Integendeel, de vreedzame deelnemers aan Occupy hebben getracht wanordelijkheden te voorkomen door de politie om hulp te vragen.

6.3. In dit verband is overigens de uitspraak van 8 oktober 2009 van het EHRM in de zaak Gsell tegen Zwitserland (Appl. no. 12675/05) van belang. In die uitspraak werd geconcludeerd dat er een schending van art. 10 EVRM was geweest, omdat de Zwitserse autoriteiten bij het tegenhouden van mensen die op weg waren naar een betoging, ten onrechte geen onderscheid hadden gemaakt tussen enerzijds de personen die mogelijk zouden overgaan tot het gebruik van geweld en anderzijds de vreedzame betogers (§ 60).

6.4. In de uitspraak van deze rechtbank van 13 februari 2013 inzake Occupy is het vorenbedoelde onderscheid evenmin gemaakt. Dit derhalve ten onrechte. De vreedzame betogers van Occupy zouden in de uitoefening van hun vrijheid van betoging door de rechtbank moeten zijn beschermd, in plaats dat zij werden geconfronteerd met een voor hen negatieve uitspraak naar aanleiding van het vermelde conflict. Hoe dan ook, verweerder heeft zich, zeker in het licht van uitspraak in de zaak Gsell, met betrekking tot de doorlopende betoging van “De Buitenkerk” volkomen ten onrechte gebaseerd op de gang van zaken bij Occupy.

7. De betogingen van “Recht op bestaan”

7.1. Ook voor de betogingen van “Recht op bestaan”, dat wil zeggen de aangemelde doorlopende betoging en de betoging op 12-13 maart van dit jaar, geldt dat verweerder zich ten onrechte beroept op de gezondheid van de deelnemers aan die betogingen en op de voorkoming van wanordelijkheden.

7.2. In dit verband dient evenwel nader te worden stilgestaan bij de gebeurtenissen op 13 december 2012, bij de ontruiming van de Koekamp. De mensen die zich toen niet van de Koekamp hebben willen verwijderen, hebben volkomen vreedzaam en op passieve wijze van hun verzet tegen die ontruiming doen blijken. De door mij overgelegde politierapportages getuigen daarvan. De achtergebleven uitgeprocedeerde vluchtelingen en hun sympathisanten zaten in de open lucht, op de grond, en hebben louter verbaal van hun opvattingen of gevoelens doen blijken.

7.3. Volkomen ten onrechte meent verweerder aan dit gebeuren te kunnen ontlenen dat de deelnemers aan de betogingen van “Recht op bestaan” zich zonder meer niet zouden willen neerleggen bij rechterlijke uitspraken. Dat is zeker niet het geval. Zij hebben zich neergelegd bij het oordeel van de voorzieningenrechter dat de tenten op de Koekamp een één zijde geheel open dienden te zijn en aan één zijde voorzien van een geheel doorzichtige wand. Zij hebben zich neergelegd bij de afwijzing van de gevraagde voorlopige voorziening om, in verband met de toegenomen kou, alsnog de open zijde van de tenten dicht te mogen maken. Maar zij konden zich niet neerleggen bij de feitelijke, op onjuiste en evident met het recht strijdige gronden gebaseerde beëindiging van hun demonstratieve kamp. Temeer niet gegeven het feit dat de voorzieningenrechter zei aansluiting te zoeken bij een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak waarin werd aangegeven dat er enig betekenisvol gebruik van een connex recht over diende te blijven, terwijl door hem feitelijk werd ingestemd met het volledig onmogelijk maken van het door hem als connex recht aangeduide recht om een tentenkamp te gebruiken als middel van betoging.

 

7.4. Een deel van de uitgeprocedeerde vluchtelingen die betoogden op de Koekamp en hun sympathisanten hebben zich op 13 december 2012 openlijk en op volkomen vreedzame wijze verzet tegen de beëindiging van het demonstratieve kamp. Zodoende werd voldaan aan de vereisten voor een gerechtvaardigde uiting van burgerlijke ongehoorzaamheid. Die vereisten zijn opgesomd in het fameuze boek van Schuyt, Recht, orde en burgerlijke ongehoorzaamheid (Universitaire Pers Rotterdam 1973, blz. 311). Ik geef die tien vereisten volledigheidshalve weer, zonder een en ander thans nog nader uit te werken, maar onder de aantekening dat het tiende vereiste de facto op de Koekamp niet aan de orde was:

(1) de handeling is illegaal;
(2) de handeling is gewetensvol;
(3) er is betekenissamenhang tussen bekritiseerde object en gekozen handelwijze;
(4) de handeling is weloverwogen;
(5) de handeling geschiedt openlijk;
(6) men werkt vrijwillig mee aan arrestatie en vervolging;
(7) men aanvaardt het risico van een straf;
(8) men heeft tevoren legale middelen geprobeerd;
(9) geweldloosheid;
(10) rechten van anderen worden zoveel mogelijk in acht genomen.

Aan de vereisten van een gerechtvaardigde uiting van burgerlijke ongehoorzaamheid werd op 13 december 2012 volledig voldaan. Die gewetensvolle handelwijze biedt geen enkele grond voor de opvatting dat de betrokkenen opstootjes of rellen zouden willen veroorzaken.

8. Slotconclusie en slotopmerking

8.1. Op grond van het voorgaande meen ik dat de besschikking in primo in alle vier zaken was gebaseerd op gronden die rechtens de aan de onderscheiden betoging gestelde beperkingen niet konden dragen, zodat de bezwaren daartegen in de desbetreffende beschikking op bezwaar ten onrechte zijn afgewezen. De vier beschikkingen op bezwaar dienen derhalve nietig te worden verklaard.

8.2. Aan de conclusies en verzoeken zoals gesteld in de aanvullende beroepschriften wordt derhalve onverkort vastgehouden.

8.3. Tenslotte herinner ik aan mijn opvatting dat, indien de rechtbank naar aanleiding van het onderhavige pleidooi niet zou besluiten tot nietigverklaring van de beschikkingen op bezwaar en de beschikkingen in primo, een nader onderzoek naar de feiten noodzakelijk is, in welk kader het dossier inzake “Wij blijven” aangevuld dient te worden met de politierapportages, en voorts alle ambtenaren en politiefunctionarissen die hebben gerapporteerd over het demonstratieve kampement op de Koekamp dienen te worden verhoord. Vervolgens zou alsdan een nader onderzoek ter terechtzitting moeten plaatsvinden.

M.J.F. Stelling

 

 

Did you like this? Share it: